Welkom bij binck

Introductie voor beginners

 

Obligaties
Met een obligatie leent u geld aan een bedrijf, land of provincie. In ruil hiervoor ontvangt u rente, ook wel couponrente genaamd. De lening wordt aan het eind van de looptijd terugbetaald, zolang het land of bedrijf niet failliet gaat natuurlijk. Door uitgifte van een obligatie kan een land of bedrijf vermogen aantrekken voor bijvoorbeeld investeringen. Obligaties kennen geen stemrecht en geven ook geen eigendomsrecht in de uitgevende instelling.

Nederland, Duitsland, Zwitserland en de Scandinavische landen staan bekend als zeer veilig en solide, uw rente zal daarom niet al te hoog zijn. Griekenland, Egypte en Spanje hebben hun huishoudboekjes minder op orde. De rente ligt daarom stukken hoger. Ook hier geldt, hoe hoger het risico, hoe hoger de opbrengst, en vice versa.

Een obligatie heeft vier belangrijke kenmerken:

1. Nominale waarde
De nominale waarde van een obligatie is de waarde waarop de obligatie is uitgegeven en waarop deze normaal gesproken ook wordt afgelost.

2. Couponrente
De couponrente is het rentepercentage dat wordt uitbetaald over de looptijd van de obligatie. De datum waarop wordt uitgekeerd staat vast: de coupondatum. In veel gevallen staat het rentepercentage vast, maar bij bedrijfsobligaties kan de rente tussentijds worden aangepast aan de winstgevendheid van het bedrijf.

3. Looptijd
Vaak heeft een obligatie een bepaalde looptijd. Deze staat genoteerd op de obligatie. Aan het eind van de looptijd zal de nominale waarde van de obligatie worden uitgekeerd.

4. Koers
Oligaties zijn vrij verhandelbaar en zijn daarom onderhevig aan koersschommelingen, vaak afhankelijk van de stand van de algemene rente. De koers van een obligatie wordt uitgedrukt in een percentage van de nominale waarde. Als de koers van de obligatie gelijk is aan de nominale waarde, wordt die koers uitgedrukt als 100%. Dit noemt men a pari. Als de koers van de obligatie boven de nominale waarde ligt, spreekt men van boven pari. Als de koers onder de nominale waarde ligt, heet dit onder pari.























Een notatie van een obligatie kan er als volgt uitzien: "3.5% Nederland 2016-26. Koers: 111,5%". In dit voorbeeld is 2016 het jaar van uitgifte en 2026 is het jaar van aflossing. En 111,5% is de koers van de obligatie. De uitgevende partij is Nederland, het is dus een staatsobligatie.

Debiteurenrisico
De uitgevende partij moet jaarlijks in staat zijn om de couponrente te betalen, en aan het einde van de looptijd de nominale waarde van de obligatie. Het risico dat door een faillissement of een andere oorzaak deze bedragen niet worden uitbetaald, wordt het debiteurenrisico genoemd. Om een inschatting te maken van dit risico, kunt u afgaan op de oordelen van kredietbeoordelaars als Moody’s of Standard & Poor’s, of uw eigen onderbuikgevoel natuurlijk.

Renterisico
De koers van een obligatie is sterk afhankelijk van de hoogte van de rente. U kunt ervan uitgaan dat als de kapitaalmarktrente stijgt, de beurskoers van de obligatie daalt en omgekeerd.

Over het algemeen zijn obligaties met een lange looptijd gevoeliger voor schommelingen in de rente dan obligaties met een korte looptijd. Stel dat de rente stijgt, dan wordt uw couponrente minder gunstig. Dit is erger wanneer uw obligatie nog twintig jaar loopt, dan wanneer de obligatie over twee maanden zou aflopen. In dit geval zal de koers van de twintig jaar lopende obligatie dus harder dalen dan de koers van de twee maanden lopende obligatie.

Vorige ETF’s
Volgende Opties
logo-binck-white